Dit project is ontstaan uit mijn liefde voor God en voor de Bijbel. Al meerdere jaren lees ik jaarlijks de hele Bijbel. Dat lezen heeft mij niet alleen kennis gegeven, maar mij ook gevormd in hoe ik kijk, luister en onderscheid.
In deze teksten probeer ik per hoofdstuk te verwoorden wat voor mij de kern van de bijbeltekst is: datgene wat blijft staan wanneer details en discussies even naar de achtergrond verdwijnen.
Ik schrijf daarbij niet in de eerste plaats vanuit commentaren of andere literatuur, maar vanuit een reflectief en geestelijk proces. Voor mij voelt dit schrijven vooral als luisteren: luisteren naar de tekst en luisteren naar de Geest, van wie ik geloof dat Hij nog altijd spreekt.
De teksten zijn daarom geen definitieve uitleg, maar persoonlijke reflecties die ontstaan uit aandachtig en herhaald lezen van de Schrift.
Dit project werkt het best wanneer eerst het gedeelte uit de Bijbel wordt gelezen. Ik gebruik zelf de NBV21.
Als je een brief schrijft aan een kerk die hopeloos verdeeld is, hoe begin je dan? Die vraag moet Paulus toch hebben bezig gehouden. Hij begint dan ook zijn brief met een legitimatie waarom juist hij deze brief mag, of zelf moet, sturen. Hij is apostel, geroepen door Jezus zelf. Hij is het die Paulus de opdracht gaf om het evangelie te verkondigen en daarmee is het ook zijn opdracht dit evangelie in Rome te verkondigen. Paulus neemt direct een stevig standpunt in.
Tegelijk weet Paulus de aandacht subtiel van zichzelf af te brengen naar Jezus. Door Jezus, onze Heer, te noemen neemt hij een belangrijke positie in. De naam Kurios, of Heer was in het Romeinse rijk voorbehouden aan de keizer. De proclamatie, Jezus is Kurios, stond vaak op gespannen voet met de machthebbers.
Paulus gebruikt de reputatie die christenen hebben bij niet-gelovigen als positief feit, terwijl dit vaak om een negatief beeld ging. Als er werd gesproken over deze nieuwe sekte dan was dat vaak negatief en neerbuigend. Maar Paulus dankt ervoor en bidt dagelijks voor de gelovigen in de hoofdstad. Hij geeft zelfs aan dat hij al meerdere keren op het punt heeft gestaan naar Rome te reizen.
De gemeenten in Rome zijn niet door Paulus gesticht, maar bestonden al voordat hij tot geloof kwam. Juist daarom kan hij zeggen dat zijn komst alleen maar beide kanten zal bemoedigen. Paulus benadrukt nogmaals dat zijn bediening geen onderscheid maakt tussen Romeinen of andere volken, tussen geleerden en simpele mensen. Hoewel er negatief over christenen wordt gesproken schaamt hij zich niet voor het evangelie. Het evangelie zou zich moeten toespitsen op een rechtvaardig leven.
Dat is in groot contrast met de cultuur waarin Paulus en de ontvangers leven. Als ze op de schepping zouden letten, zouden ze God ontdekken. Want God heeft zichzelf daarin bekendgemaakt. Maar ze letten enkel op hun eigen verlangens. De Onzichtbare is vervangen door mensen verzonnen beelden en mensen zijn gevangen in hun eigen leugens.
In plaats van God te vereren, zijn er tempels gebouwd voor een menigte aan goden en deze cultus gaat gepaard met seksuele rituelen.
Eigenlijk is het kwaad dat ze doen hun eigen schuld, de opsomming die Paulus doet laat het niet misverstaan. Waar de gelovige een rechtvaardig leven moet leiden, zijn zij, de ongelovigen, onrechtvaardig in alle aspecten.
Dit is geen wij versus zij, dit is een duidelijke positionering. Geloven alleen is betekenisloos als dit geloof niet ook resulteert in daden die passen bij dat geloof.
Reflectievragen
Wanneer voel jij de spanning tussen jouw overtuiging en de heersende cultuur om je heen?
Wat doet het met je dat Paulus cultuurkritiek verbindt aan verantwoordelijkheid, niet aan onwetendheid?
Wat betekent het voor jou dat geloof volgens Paulus zichtbaar wordt in keuzes en relaties?
Waarom zien we toch zo graag de splinter in het oog van de ander? Bij het vorige hoofdstuk zal een deel van de luisteraars instemmend hebben geknikt en ook concrete mensen in gedachten hebben gehad. Nu keert Paulus het oordeel radicaal terug naar zijn luisteraars.
Paulus weet dat zijn luisteraars hopeloos verdeeld zijn en elkaar verwijten niet rechtvaardig genoeg te leven. Paulus spreekt deze luisterhouding heel direct aan: Het oordeel dat u over anderen velt, velt u over uzelf (vs1).
Voor huiskerken die ervan overtuigd zijn dat zij op de juiste manier geloven en dat de ander het mis heeft, is dit een stevig confronterende spiegel. Waar Paulus in hoofdstuk 1 zich vooral lijkt te richten op de heidenen, richt hij zich nu op de gelovige Joden. Eerst nog zonder hen nadrukkelijk te noemen.
God kijkt niet eerst naar je kennis van de Joodse wet of naar hoe nauwgezet je die naleeft, maar naar je leven zelf: of je handelt in lijn met wat je innerlijk weet dat goed is. Christus zal, op een dag, oordelen over wat in een mens verborgen is. Daarom staat ieder mens persoonlijk voor de opdracht om met een rein geweten voor Hem te kunnen staan.
Kort hiervoor zullen vooral de heidense christenen zich aangesproken hebben gevoeld en de Joodse gelovigen instemmend hebben geknikt. Nu zijn de rollen omgedraaid. Paulus haalt stevig uit naar mensen in de kerk die zich laten voorstaan op hun afkomst, op hun kennis en de overtuiging dat zij de waarheid in pacht hebben.
Dat je beter onbesneden kunt zijn, maar je wel aan de wet houdt, dan besneden en de wet met voeten treedt zal enorm shockerend zijn geweest. De vraag die bij de luisteraars naar boven komt, en misschien ook wel gesteld is geweest; Is God dan onpartijdig? Maakt het God dan niet uit dat we uit Gods volk komen en Zijn wet willen houden?
Paulus is zeer direct, echt Joods wordt je niet door geboorte of besnijdenis. Maar wanneer de Geest van God, je hart verandert, dan veranderen ook je houding, karakter en daden. Dat is echt Joods zijn.
Reflectievragen
Waar haal jij zekerheid of moreel houvast uit: uit wat je gelooft en weet, of uit hoe dat geloof zichtbaar wordt in je handelen?
Wat roept het bij je op dat Paulus spreekt over een oordeel over wat ‘verborgen’ is in de mens? Is dat beangstigend, bevrijdend, of beide?
In hoeverre speelt afkomst, achtergrond of kerkelijke identiteit een rol in hoe jij naar jezelf en anderen kijkt?
Maakt het dan eigenlijk wel uit waar ik geboren ben? Deze vraag zal de luisteraars nu bezighouden en het is ook precies die vraag die Paulus openlegt. In onze huidige tijd met migratieproblematiek krijgt deze vraag een wat andere lading. Maar Paulus spreekt hier een concrete stroming binnen de Romeinse kerken mee aan.
Iemand die als Jood geboren is heeft wellicht een beter begrip van wie God is en wat Zijn wet voorschrijft. Maar ook Joden kunnen God ontrouw zijn, toch blijft God zelf wel trouw.
Dit is geen losse uitspraak, maar gericht op een concrete groep mensen, zij zullen zich zeker aangesproken hebben gevoeld tijdens het luisteren. Deze mensen redeneren dat wanneer God trouw blijft bij menselijke ontrouw en dan alsnog mensen veroordeelt, God zelf eigenlijk onrechtvaardig is. Ze durven zelfs nog een stap verder te gaan. Als God door ontrouwe mensen kan tonen hoe trouw hij is, en dat dit tot Zijn eer strekt, dan kunnen we beter opzettelijk kwaad doen. Hoe snel zullen de gezichten rood zijn gekleurd, wanneer Paulus aantoont dat dit een heilloze cirkelredenering is.
Maar hoe zit het nu, is Jood-zijn een voordeel voor christenen? Nee, zegt Paulus, voor God is ieder mens gelijk. En diep in het hart is geen enkel mens echt met God bezig. Jood of heiden, geen enkel mens heeft recht van spreken tegenover God. Het enige wat de wet laat zien is dat je schuldig bent.
In plaats van de focus te leggen op de slechtheid van elk mens, is het punt wat Paulus maakt juist dat van onverdiende genade. Zonder dit woord nog te noemen. Het gaat er niet om dat elk mens ten diepste in en in slecht is, de realiteit laat immers zien dat ook deze ‘slechte’ mensen tot goede en onbaatzuchtige dingen in staat zijn. De echte kern zit in Gods eenzijdige handelen. De gift van genade wordt niet ontvangen omdat men goed of slecht leeft noch door de juiste afkomst. Enkel door geloof in Jezus is verzoening met God mogelijk.
Als de luisteraars nog niet waren wakker geschud door Paulus’ woorden dan zijn ze dat nu wel. Dat iedereen werkelijk gelijk is, is een radicaal idee. Een idee dat vrijheid biedt.
Het enige wat een mens deze vrijheid kan bieden is geloven in Jezus Christus. Hij is de vervulling van de oude Joodse profeten. Zeiden sommigen dat God onrechtvaardig is? Hij bewijst juist het tegendeel door iedereen die gelooft vrij te spreken.
De gedachte dat niemand zich beter moet voelen dan een ander, raakt een open zenuw. God is immers God over de hele wereld en alle volken, niet alleen van één volk.
Juist omdat God God is van alle volken, valt elke vanzelfsprekende aanspraak op voorrang of onderscheid weg.
Reflectievragen
Wat roept bij jou weerstand op in de gedachte dat afkomst, achtergrond of religieuze vertrouwdheid geen beslissend voordeel geven bij God?
Wat betekent het voor jou persoonlijk dat verzoening met God niet begint bij wat jij doet, maar bij wat God geeft?
Waar zou deze radicale gelijkheid in jouw leven, relaties of gemeenschap iets moeten loslaten of herschikken?
Wie van zijn hoorders zal Paulus vooral in gedachten hebben als hij over Abraham begint? Tegen de achtergrond van een conflict tussen huiskerken van Joodse en niet-Joodse afkomst bepaalt het antwoord op deze vraag hoe je dit gedeelte leest.
Niet iedere gelovige met een heidense achtergrond zal de verhalen van Abraham en David immer goed gekend hebben. Paulus veronderstelt hier een flinke dosis voorkennis, waardoor hij vrijwel zeker de Joodse gelovigen aanspreekt.
Abraham is kinderloos wanneer hij vertrekt richting Kanaän omdat God belooft hem een groot volk te maken en dat land aan zijn nageslacht te geven. Abraham krijgt meerdere beloftes verspreid over meerdere jaren, maar een kind blijft uit. Op enig moment doet God Abraham opnieuw een belofte van bescherming en rijkdom, waarop Abraham vraagt wat het voor zin heeft. Hij heeft meer dan genoeg en geen nakomeling aan wie hij het kan nalaten. God laat hem dan de sterren zien en belooft dat zijn nakomelingen net zo talrijk zullen zijn. Abraham gelooft God op zijn woord. En God rekent hem dat toe als rechtvaardigheid (Gen 15).
Dit alles was voordat Abraham als bevestiging van deze beloften besneden werd. En voordat Mozes de wet ontving. Voor de luisteraars zal het toch duidelijk hebben aangevoeld als een stevige weerlegging dat de wet nodig is om gered te worden. De niet-Joden zullen hun instemming met dit gedeelte niet voor zich hebben kunnen houden. Kregen ze een hoofdstuk terug nog een veeg uit de pan, voelen ze zich hier weer bevestigd in hun standpunt door Paulus’ woorden.
Paulus gebruikt de voor Joden zo belangrijke Abraham, om duidelijk te maken dat geloof bestaat uit vertrouwen en volharding. Waarbij het niet langer draait om Abraham, maar om Jezus die stierf om onze zonden, maar ook werd opgewekt zodat wij rechtvaardig kunnen worden.
Reflectievragen
Wat betekent geloven voor jou: instemmen met waarheden, of blijven vertrouwen wanneer er niets te zien is?
Wanneer voelt geloof als volharding, en wanneer als uitputting? Wat helpt jou om niet los te laten?
Op welke momenten ben je geneigd zekerheid te zoeken in regels, systemen of herkenning, in plaats van in vertrouwen op God?
Waar zou geloof in jouw leven minder over bewijzen en meer over vertrouwen mogen gaan?