Om duidelijk te hebben waar het hier over gaat zal ik starten met een aantal begrippen kort samen te vatten. Van al deze gedachten is veel meer te zeggen; ik probeer me echter te beperken tot de kern. Wanneer ik de Bijbel citeer gebruik ik daarvoor de NBV21, tenzij anders aangegeven.
Noot vooraf: op geen enkele wijze wil ik ontkennen dat ieder mens zondig is en de verlossing door Jezus Christus nodig heeft. Onderstaande uitwerking gaat over een detailverschil: wanneer de zondigheid van de mens begint.
De leer dat door Adams zondeval alle mensen zondig zijn (d.w.z. in een zondige staat verkeren). De zonde gaat middels overerving over van de ene mens op de andere.
Deze leer vindt haar oorsprong bij Augustinus, die voor het eerst woorden gaf aan zijn eigen ervaring. Volgens hem had de mens na Adam niet meer het vermogen om niet te zondigen. In de daaropvolgende eeuwen werd deze gedachte in de westerse kerk verder uitgewerkt tot de overtuiging dat ieder mens van nature zondig is.
Er is veel discussie en nuance geweest over verschillende visies die soms maar in detail van elkaar afweken. Voor dit artikel beperk ik mij tot deze kern.
Wanneer je kijkt naar de leer van de vroege kerk zie je dat in de eerste drie eeuwen het concept van erfzonde vrijwel afwezig is. Men onderwierp zich aan de Bergrede en ging ervan uit dat de mens door de vrije wil en de Heilige Geest in staat zou zijn heilig en zonder zonde te leven.
De leer van de erfzonde komt bovendien vooral voor in de westerse kerk (kerken met hun oorsprong in de Rooms-Katholieke Kerk en later de kerken van de Reformatie).
Voor een definitie van zonde gebruik ik een beschrijving uit Theologische Begrippen (Teologia, 2004):
Fundamenteel ongeloof, wantrouwen en verwerping van God en het weigeren Hem als centrum van de werkelijkheid te erkennen.
Volgens de Bijbel is zonde enerzijds:
de van God gescheiden en vervreemde toestand van de mens
en anderzijds het opzettelijk ongehoorzaam zijn aan Gods wil in gedachte, woord en daad.
Zonde is een universeel verschijnsel, zowel collectief als individueel.
Kinderdoop is de gewoonte om zuigelingen en kinderen te dopen die te jong geacht worden om zelf hun geloof in Christus te belijden.
Binnen verschillende kerken wordt dit verschillend geduid:
als inlijving in de kerk van alle eeuwen
als symbool dat uiteindelijk de wedergeboorte bewerkt
of als belofte dat het heil van Christus ook voor deze kinderen is.
Vanuit de leer van de erfzonde is de kinderdoop zeer logisch: kinderen zijn immers “in zonde geboren en ontvangen” en hebben daarom het heil van Christus nodig.
Deze gedachte heeft zowel in de Rooms-Katholieke Kerk als in veel reformatorische kerken standgehouden. Waar de Rooms-Katholieke Kerk leert dat de doop de erfzonde wegneemt, ontstond in sommige reformatorische tradities zelfs de gedachte dat zelfs de doop de erfzonde niet volledig opheft.
Er zijn een aantal teksten die doorgaans worden gebruikt om de leer van de erfzonde te onderbouwen:
Romeinen 3:9–18
Romeinen 5:12–19
Romeinen 7:21–23
Romeinen 8:5–8
Efeze 2:1–3
Psalm 58
Psalm 51:7
Om deze teksten goed te begrijpen moeten we de basisregels van Bijbelstudie toepassen:
Wie zegt dit?
Is het de schrijver, Jezus, God, of iemand anders?
Aan wie is het gericht?
Bijvoorbeeld: een brief aan christenen of een wet voor Israël.
Wat is de context?
In welke vorm is het geschreven?
Bijvoorbeeld:
psalm
verhaal
brief
profetie
Wat is het doel van de schrijver?
“Ik was al schuldig toen ik werd geboren,
al zondig toen mijn moeder mij ontving.”
David zegt dit tegen de achtergrond van de confrontatie met de profeet Nathan over zijn overspel met Batseba en de moord op haar man.
Hij erkent in vers 5:
“Want ík ken mijn overtredingen, mijn zonde staat mij voortdurend voor ogen.” (HSV)
Hier gaat het om concrete misstappen, niet om een theorie over een zondige natuur.
Sommige Joodse tradities suggereren dat David mogelijk een buitenechtelijk kind was, maar dat is niet de noodzakelijke lezing van deze tekst.
Zelfs als je deze uitspraak leest als een erkenning van een zondige staat sinds de geboorte, blijft het een diep persoonlijk belijden en zegt het niets over de gehele mensheid.
Paulus schrijft de Romeinenbrief aan christenen in Rome. Zijn doel vat hij samen in Romeinen 1:16–17:
“Voor dit evangelie schaam ik mij niet, want het is Gods reddende kracht voor allen die geloven…”
Paulus gebruikt in deze brief vaak antithese (tegenstellingen). Hij begint met te stellen dat de heidenen gezondigd hebben, maar maakt vervolgens duidelijk dat ook de Joden geen uitzondering zijn.
Romeinen 3:9 zegt daarom:
“Allen, zowel de Joden als de andere volken, zijn in de macht van de zonde.”
Maar Paulus zegt hier niets over erfzonde of de staat waarin baby’s geboren worden.
Hij zegt dat allen zijn afgedwaald. Niet door een geërfde zonde, maar door hun eigen keuzes:
bedrog
geweld
vervloeking
verwoesting
Dit zijn allemaal bewuste daden.
Romeinen 5:12–19
Deze passage wordt vaak gezien als de sterkste tekst voor de erfzonde.
Vers 12 zegt:
“De dood is voor ieder mens gekomen omdat ieder mens heeft gezondigd.”
Hier staat niet dat iedereen automatisch zondig is door Adam, maar dat iedereen zelf heeft gezondigd.
Paulus gebruikt opnieuw een antithese:
Adam → dood
Christus → leven
Wanneer men stelt dat Adams zonde automatisch iedereen tot zondaar maakt, dan zou dezelfde logica betekenen dat Christus automatisch iedereen rechtvaardigt. Dat zou leiden tot een vorm van alverzoening, wat doorgaans niet wordt geleerd.
Paulus benadrukt vooral:
de gevolgen van Adams zonde
tegenover de gevolgen van Christus’ gehoorzaamheid.
Romeinen 7
Paulus schrijft:
“Ik wil het goede wel, maar het goede doen kan ik niet.”
Dit lijkt sterk te spreken over de menselijke neiging tot zonde. Toch moeten we rekening houden met Paulus’ retorische stijl, waarin hij het contrast scherp neerzet.
Paulus was vóór zijn bekering een ijverig farizeeër die de wet zeer serieus nam. Hij was dus zeker in staat tot veel goede daden.
Ook vandaag zien we niet-christenen die zich met grote toewijding inzetten voor:
armen
vluchtelingen
zieken
Dit kan moeilijk als puur kwaad worden beschouwd.
Paulus beschrijft hier vooral de innerlijke strijd van de mens, niet noodzakelijk een aangeboren zondige natuur.
Hier zet Paulus opnieuw twee werkelijkheden tegenover elkaar:
het aardse streven
het leven door de Geest
Het aardse leidt tot de dood, het leven door de Geest tot vrede en leven.
Ook hier spreekt Paulus over de gevolgen van menselijke keuzes, niet over erfelijkheid van zonde.
Dit is misschien de tekst die het meest over “natuur” spreekt.
De HSV vertaalt:
“Wij waren van nature kinderen des toorns.”
De NBV21 vertaalt:
“Wij stonden van nature bloot aan Gods toorn.”
Vertalen betekent altijd ook interpreteren.
De vraag is daarom of “van nature” hier spreekt over:
een aangeboren zondige natuur
of over de toestand van de mens zonder Christus.
De tekst laat in ieder geval ruimte voor beide lezingen.
Deze psalm spreekt over mensen die al “vanaf hun geboorte” op een slecht pad gaan.
Maar de psalm gaat over rechters en machthebbers die onrecht doen.
De uitspraak lijkt daarom beeldspraak te zijn, geen letterlijke beschrijving van baby’s.
Kinderen ontwikkelen hun geweten bovendien pas geleidelijk. Ouders functioneren in de eerste jaren vaak als extern geweten.
De Bijbel spreekt erover dat gelovigen:
een nieuwe schepping zijn (2 Kor. 5:17)
bevrijd zijn van de zonde (Rom. 6:18)
overgebracht zijn naar het Koninkrijk van Christus (Kol. 1:13)
Wanneer zonde biologisch wordt doorgegeven, roept dit vragen op. Want in de schepping geldt vaak het principe dat soort naar soort voortbrengt.
Een nieuwe schepping zou dan logischerwijs ook nieuw leven voortbrengen.
De Bijbel zegt ook:
“De HEER vormt de geest van de mens in zijn binnenste.” (Zacharia 12:1)
En:
“De geest keert terug tot God die hem gegeven heeft.” (Prediker 12:7)
Het leven van de mens komt dus van God zelf.
Wat God geeft is goed en zuiver. Daarom is het moeilijk te zeggen dat God de mens een verdorven geest zou geven.
Jezus gebruikt bovendien kinderen als voorbeeld wanneer Hij zegt:
“Als jullie niet veranderen en worden als kinderen, zullen jullie het koninkrijk van de hemel zeker niet binnengaan.” (Matt. 18)
Ezechiël 18 stelt duidelijk:
“Een zoon hoeft niet te boeten voor de zonden van zijn vader.”
Iedereen is verantwoordelijk voor zijn eigen daden.
Dit roept ook vragen op over mensen die:
vóór Christus leefden
nooit van het evangelie gehoord hebben
of niet in staat zijn om te geloven (bijvoorbeeld baby’s).
God zegt in Exodus 33:19:
“Ik schenk genade aan wie Ik genade wil schenken.”
Gods genade is uiteindelijk een gave, geen recht dat wij kunnen opeisen.
In bovenstaande uiteenzetting heb ik geprobeerd verschillende Bijbelteksten en theologische perspectieven naast elkaar te leggen.
Op basis daarvan kom ik tot de conclusie dat de leer van de erfzonde, zoals deze vaak wordt geïnterpreteerd, niet volledig in overeenstemming lijkt met de Bijbelse boodschap.
De Bijbel maakt duidelijk dat:
de mensheid getekend is door zonde
maar ook dat persoonlijke verantwoordelijkheid centraal staat.
Teksten zoals Ezechiël 18 benadrukken dat ieder mens verantwoordelijk is voor zijn eigen daden. Romeinen 3 en 5 spreken vooral over de universaliteit van de zonde, niet over de exacte oorsprong ervan.
Daarmee blijft wel nadrukkelijk de noodzaak van verlossing door Jezus Christus volledig overeind.
De oplossing voor de menselijke conditie ligt uiteindelijk niet in een discussie over een aangeboren zondige natuur, maar in vertrouwen op het verlossende werk van Christus en het navolgen van zijn weg.
Er is nog veel meer over dit onderwerp te zeggen. Thema’s zoals:
de oorsprong van het kwaad
de relatie tussen zonde en vrije wil
de ontwikkeling van moreel besef
verdienen verdere studie. Voor nu laat ik het hierbij.