Alles heeft een begin, behalve God. God is zonder begin of einde.
Ook de Bijbel heeft een begin: een eerste boek en een eerste hoofdstuk. De eerste woorden nemen ons mee naar dat allereerste begin.
“In het begin schiep God de hemel en de aarde.”
Wie het initiatief neemt tot deze schepping wordt niet uitgebreid geïntroduceerd. Dat lijkt ook niet nodig. De tekst veronderstelt dat de lezer eigenlijk al weet over wie het gaat: God.
In dit hoofdstuk wordt God aangeduid met de algemene naam Elohim. Een naam die grammaticaal meervoud is, maar die toch handelt in het enkelvoud. De naam suggereert een meervoudige God, maar God presenteert zich als één.
Dit alles lijkt bewust. Alsof de Bijbel meteen duidelijk wil maken dát God de Schepper is, maar tegelijk laat zien dat het tijd kost om deze God werkelijk te leren kennen. Zijn naam, zijn karakter en zijn nabijheid ontvouwen zich pas gaandeweg het verhaal.
Later, in het Nieuwe Testament, lezen we dat de schepping tot stand is gekomen door Jezus (o.a. Johannes 1). Tegelijk zien we hier in vers 2 al dat ook de Geest van God aanwezig is: bewegend boven het water, actief betrokken bij wat ontstaat. Vanaf het allereerste begin is God geen afstandelijke toeschouwer, maar aanwezig en werkzaam.
Wat volgt in Genesis 1 is geen wetenschappelijke uitleg van het ontstaan van het universum. Daarvoor klopt het eenvoudigweg niet met onze huidige kennis. Hoe kunnen er al dagen en nachten zijn voordat zon en maan geschapen worden? En sterren hangen niet aan een hemelgewelf, maar zijn immense lichtbronnen op onvoorstelbare afstand.
Genesis 1 wil iets anders doen. Het is een literair hoogstandje: ritmisch en zorgvuldig opgebouwd, bijna poëtisch. Het hoofdstuk bezingt de grootsheid van de Schepper en de goedheid van zijn werk. Steeds weer klinkt het refrein: “En God zag dat het goed was.”
Het hoogtepunt ligt niet bij zon, maan of sterren, maar bij de mens, man én vrouw, geschapen naar Gods beeld. De mens wordt niet neergezet als toevallig bijproduct, maar als drager van Gods beeld, geroepen om te leven in relatie, en Hem te vertegenwoordigen in die schepping.
Genesis 1 vertelt ons niet hoe alles precies is ontstaan, maar wie de wereld draagt, wie de mens is, en waarom de schepping goed genoemd mag worden.
Reflectievragen
Welke invloed heeft het scheppingsverhaal op jouw beeld van wie God is?
Kun je Genesis 1 lezen als een lofzang, of ben je geneigd vooral te zoeken naar verklaringen?
Wat betekent het voor jou persoonlijk dat de mens geschapen is naar Gods beeld — man én vrouw?