Waarom zien we toch zo graag de splinter in het oog van de ander? Bij het vorige hoofdstuk zal een deel van de luisteraars instemmend hebben geknikt en ook concrete mensen in gedachten hebben gehad. Nu keert Paulus het oordeel radicaal terug naar zijn luisteraars.
Paulus weet dat zijn luisteraars hopeloos verdeeld zijn en elkaar verwijten niet rechtvaardig genoeg te leven. Paulus spreekt deze luisterhouding heel direct aan: Het oordeel dat u over anderen velt, velt u over uzelf (vs1).
Voor huiskerken die ervan overtuigd zijn dat zij op de juiste manier geloven en dat de ander het mis heeft, is dit een stevig confronterende spiegel. Waar Paulus in hoofdstuk 1 zich vooral lijkt te richten op de heidenen, richt hij zich nu op de gelovige Joden. Eerst nog zonder hen nadrukkelijk te noemen.
God kijkt niet eerst naar je kennis van de Joodse wet of naar hoe nauwgezet je die naleeft, maar naar je leven zelf: of je handelt in lijn met wat je innerlijk weet dat goed is. Christus zal, op een dag, oordelen over wat in een mens verborgen is. Daarom staat ieder mens persoonlijk voor de opdracht om met een rein geweten voor Hem te kunnen staan.
Kort hiervoor zullen vooral de heidense christenen zich aangesproken hebben gevoeld en de Joodse gelovigen instemmend hebben geknikt. Nu zijn de rollen omgedraaid. Paulus haalt stevig uit naar mensen in de kerk die zich laten voorstaan op hun afkomst, op hun kennis en de overtuiging dat zij de waarheid in pacht hebben.
Dat je beter onbesneden kunt zijn, maar je wel aan de wet houdt, dan besneden en de wet met voeten treedt zal enorm shockerend zijn geweest. De vraag die bij de luisteraars naar boven komt, en misschien ook wel gesteld is geweest; Is God dan onpartijdig? Maakt het God dan niet uit dat we uit Gods volk komen en Zijn wet willen houden?
Paulus is zeer direct, echt Joods wordt je niet door geboorte of besnijdenis. Maar wanneer de Geest van God, je hart verandert, dan veranderen ook je houding, karakter en daden. Dat is echt Joods zijn.
Reflectievragen
Waar haal jij zekerheid of moreel houvast uit: uit wat je gelooft en weet, of uit hoe dat geloof zichtbaar wordt in je handelen?
Wat roept het bij je op dat Paulus spreekt over een oordeel over wat ‘verborgen’ is in de mens? Is dat beangstigend, bevrijdend, of beide?
In hoeverre speelt afkomst, achtergrond of kerkelijke identiteit een rol in hoe jij naar jezelf en anderen kijkt?