Wie van zijn hoorders zal Paulus vooral in gedachten hebben als hij over Abraham begint? Tegen de achtergrond van een conflict tussen huiskerken van Joodse en niet-Joodse afkomst bepaalt het antwoord op deze vraag hoe je dit gedeelte leest.
Niet iedere gelovige met een heidense achtergrond zal de verhalen van Abraham en David immer goed gekend hebben. Paulus veronderstelt hier een flinke dosis voorkennis, waardoor hij vrijwel zeker de Joodse gelovigen aanspreekt.
Abraham is kinderloos wanneer hij vertrekt richting Kanaän omdat God belooft hem een groot volk te maken en dat land aan zijn nageslacht te geven. Abraham krijgt meerdere beloftes verspreid over meerdere jaren, maar een kind blijft uit. Op enig moment doet God Abraham opnieuw een belofte van bescherming en rijkdom, waarop Abraham vraagt wat het voor zin heeft. Hij heeft meer dan genoeg en geen nakomeling aan wie hij het kan nalaten. God laat hem dan de sterren zien en belooft dat zijn nakomelingen net zo talrijk zullen zijn. Abraham gelooft God op zijn woord. En God rekent hem dat toe als rechtvaardigheid (Gen 15).
Dit alles was voordat Abraham als bevestiging van deze beloften besneden werd. En voordat Mozes de wet ontving. Voor de luisteraars zal het toch duidelijk hebben aangevoeld als een stevige weerlegging dat de wet nodig is om gered te worden. De niet-Joden zullen hun instemming met dit gedeelte niet voor zich hebben kunnen houden. Kregen ze een hoofdstuk terug nog een veeg uit de pan, voelen ze zich hier weer bevestigd in hun standpunt door Paulus’ woorden.
Paulus gebruikt de voor Joden zo belangrijke Abraham, om duidelijk te maken dat geloof bestaat uit vertrouwen en volharding. Waarbij het niet langer draait om Abraham, maar om Jezus die stierf om onze zonden, maar ook werd opgewekt zodat wij rechtvaardig kunnen worden.
Reflectievragen
Wat betekent geloven voor jou: instemmen met waarheden, of blijven vertrouwen wanneer er niets te zien is?
Wanneer voelt geloof als volharding, en wanneer als uitputting? Wat helpt jou om niet los te laten?
Op welke momenten ben je geneigd zekerheid te zoeken in regels, systemen of herkenning, in plaats van in vertrouwen op God?
Waar zou geloof in jouw leven minder over bewijzen en meer over vertrouwen mogen gaan?