Hoe ziet het eruit wanneer God rust van zijn werk? Heeft God de wereld geschapen, met alle natuurwetten om haar daarna aan haar lot over te laten? Kan God werkelijk een dag niets doen?
Wanneer Jezus wordt aangesproken omdat hij op Sabbat werkt geeft hij een intrigerend antwoord; 'Mijn Vader werkt aan één stuk door, en daarom doe Ik dat ook.' (Joh 5:17).
Gods rusten betekent dus niet dat Hij werkeloos toekijkt. Het betekent wel dat Hij zijn schepping als compleet en afgerond beschouwt. Het werk is goed, en daarom mag het rusten.
Literair gezien horen de eerste drie verzen van dit hoofdstuk eigenlijk nog bij hoofdstuk 1. Ze vormen de afsluiting van het eerste scheppingsverhaal. Daarna begint een tweede verhaal, dat in grote lijnen dezelfde volgorde volgt, maar nu inzoomt op de mens. Het beschrijft als het ware waarom de mens bestaat, en waarom man en vrouw verschillend én op elkaar aangewezen zijn.
Water speelt een opvallende rol in dit hoofdstuk. De schepping begint opnieuw bij een lege aarde, zonder planten of dieren, omdat het nog niet heeft geregend. Toch is er al water aanwezig. Dat past bij het wereldbeeld van het oude Midden-Oosten: wanneer regen valt op dorre grond, komt er leven tevoorschijn. Het idee dat zaden al in de grond aanwezig zijn, speelde daarin nauwelijks een rol.
Water en leven zijn in de Bijbel nauw met elkaar verbonden. Water is zegen, voorwaarde voor groei. Tegelijk wordt water vaak gebruikt als beeld van de Geest van God: levenwekkend, vernieuwend, dragend.
God brengt de mens in een speciaal voor hem aangelegde tuin en geeft hem een opdracht: de tuin moet worden bewerkt en bewaakt. Ook krijgt de mens een gebod. Zijn vrijheid is niet grenzeloos — niet alles wat geschapen is, is ook goed voor hem. Het bewerken van de tuin kan gelezen worden als het volgen van Gods voorbeeld: de wereld om ons heen steeds meer laten lijken op wat God bedoeld heeft. Het goede van God is nooit bedoeld om voor onszelf te houden.
Dan ziet God dat de mens alleen is. Er ontbreekt iets wezenlijks: relatie. Dat God eerst alle dieren langs Adam laat passeren, lijkt geen toeval. Pas wanneer Adam alles heeft gezien wat God gemaakt heeft, beseft hij dat er niemand is die werkelijk bij hem past.
Het Hebreeuwse ezer kenegdo wordt vaak verkeerd begrepen. Omdat God zelf ook ezer genoemd wordt voor Israël (Deuteronomium 33:26–27), kan het hier onmogelijk om ondergeschiktheid gaan. Een omschrijving als krachtige metgezel doet waarschijnlijk meer recht aan de betekenis.
Dat verklaart ook Adams extatische uitroep: Dit!
De eerste woorden van de mens zijn een mengeling van verrassing, herkenning en vreugde. Dit is wat ik miste. Juist deze wederzijdse gelijkwaardigheid maakt dat er geen schaamte is voor elkaars naaktheid.
Reflectievragen
Wat betekent het voor jou dat mens-zijn vanaf het begin verbonden is met relatie en wederkerigheid?
Waar herken jij iets van Adams verlangen om gezien en aangevuld te worden?